Laat ons eerlijk zijn: we hadden zo onze twijfels voor we in Brazilië aankwamen.
Wat als het land te gevaarlijk zou zijn?
Wat als tweeënhalve maand te lang zou zijn? Te eentonig?
Wat als… het gewoon niet zou klikken?
Spoiler alert: we zaten er compleet naast.
En nog een bekentenis: ik heb lang zitten zoeken naar een manier om een land samen te vatten dat zó immens, zó vol contrasten, zó bruisend is.
Want Brazilië, dat is 8,5 miljoen km² — twee keer de grootte van de Europese Unie — en meer dan 200 miljoen inwoners.
Het is het vijfde (of zesde) meest bevolkte land ter wereld.

Vanuit Europa denken we bij Zuid-Amerika vaak aan het Spaans, de Andes, Machu Picchu, tango of ceviche.
Maar Brazilië? Daar spreken ze Portugees. En het land beslaat meer dan 40% van Latijns-Amerika.
Bijna een derde van de bevolking. Ongeveer 40% van de economie.
Een wereld op zich.
En toch blijft Brazilië verrassend afwezig op de toeristische radar.
Minder dan 6% van de buitenlandse bezoekers in Latijns-Amerika gaan naar Brazilië.
Da’s minder dan wat de Eiffeltoren elk jaar ontvangt!
Ik ben de tel kwijt van vrienden die naar Mexico, Argentinië of Peru zijn gereisd.
Maar Brazilië? Veel minder.
Te groot? Te complex? Te gevaarlijk? Slecht gepromoot?
Misschien wel een beetje van alles.
Misschien ook gewoon omdat men er Portugees spreekt — en bijna niets anders.
En toch… dit land heeft echt alles.
Paradijselijke stranden. Ondoordringbare bossen. Gigantische steden. Koloniale dorpjes waar de tijd stil lijkt te staan. Ritmes die je ‘s nachts achtervolgen. En oprechte gastvrijheid.
In tweeënhalve maand bezochten we zeven regio’s, van de bekendste tot de meest vergeten.
In de komende posts probeer ik te vertellen wat Brazilië met ons deed.
Niet alleen via de landschappen, maar ook via hun geschiedenis.
En wat volgens mij dit land en zijn inwoners typeert: hun verleden, hun warmte, hun tegenstellingen.
Regio per regio.
Kom, we nemen je mee op avontuur: tweeënhalve maand Brazilië. Let’s go!
- De staat Rio De Janeiro
We zitten in onze huurauto, ergens op een honderd kilometer lange strook tussen São Paulo en het stadje Paraty. Het landschap is adembenemend. De weg slingert door met groen bedekte bergen, dichte bossen, watervallen en af en toe een spectaculaire blik op de Atlantische Oceaan. Een Braziliaanse droom in een notendop. De meeste van onze angsten zijn al binnen 24 uur vervlogen.
Maar even terugspoelen naar iets minder dan 24 uur eerder: net geland in São Paulo, ontmoeten we onze vrienden Jorun, Anthony en hun drie kinderen voor negen dagen samen vakantie. Op het programma: het koloniale stadje Paraty, het paradijselijke eiland Ilha Grande, en als afsluiter van formaat: Rio de Janeiro.
Deze route — voor elke reiziger die Brazilië wil ontdekken — kan ik met mijn ogen dicht aanraden: een perfecte mix van natuur, cultuur en pure verwondering.
Paraty, een prachtig koloniaal stadje
Na een rit van 250 km, die ons… meer dan zeven uur kostte (bedankt, start van de carnavalvakantie), komen we eindelijk aan in wat gerust een tropische postkaart genoemd mag worden: Paraty. Ja, je moet het verdienen.
Paraty is een koloniaal juweeltje dat lijkt stil te staan in de tijd, erkend als werelderfgoed door UNESCO. Kasseistraatjes die je enkels doen wankelen, lage huisjes met kleurrijke luiken, barokke kerken tussen de palmbomen — allemaal genesteld tussen de zee en de bergen als een levend schilderij. Wat wil je nog meer?








Maar dit filmdecor heeft ook een gouden verleden. Letterlijk.
In de 18e eeuw werden er goudaders ontdekt in de bergen van Minas Gerais, zo’n 300 à 400 km verder naar het noorden (spoiler: daarover meer in mijn volgende post). En raad eens langs waar al dat kostbare metaal richting Lissabon werd verscheept? Juist ja, via Paraty.
Maar Paraty draait niet alleen rond het historische centrum: het zijn ook de baaien, de strandjes en de eilandjes die zo uit een filmintro lijken geplukt. Onze foto’s van de boottocht vertellen het beter dan ik (en maken geen spelfouten).



Ilha Grande: natuur & strand
We zitten op een klein bootje, na 2,5 uur rijden vanuit Paraty, op weg naar Ilha Grande. Het eiland zou prachtig moeten zijn — een perfecte mix van droomstranden en tropisch regenwoud. Maar dat weten we pas als we aankomen…
Want op dit moment krijgen we de ene windvlaag na de andere over ons heen, golf na golf recht in ons gezicht. We zijn doorweekt tot op het bot — onze rugzakken ook — en het is nog niet eens warm.


Matteo heeft ondertussen een soort kasteel gebouwd met de reddingsvesten. Hij blijft er goed in verscholen, veilig en droog. Af en toe steekt hij zijn hoofd eruit, als een soort periscoop van een duikboot, om dan meteen weer te verdwijnen zodra hij merkt dat het er buiten nog altijd niet beter op is. Ach, nat zijn we toch al, dus we openen een paar pintjes en lachen om deze absurde overtocht.
We meren uiteindelijk aan in een klein baaitje, kletsnat.
De namiddag glijdt voorbij met onze voeten in het zand, bij een late lunch op het strand. Daarna volgt een geïmproviseerde voetbalmatch met een paar Braziliaanse tieners. België-Brazilië, remake van 2018. En net als op het WK is het België die wint. Geen enkele andere toerist te bespeuren, alleen wij. Het dorpje is een afgelegen plek: een mooi strand, een paar straatjes daarachter — en dat is het. Geen auto’s, geen wegen, alleen boten.
Men zegt dat een deel van Ilha Grande erg jetset is… maar duidelijk niet deze kant!
We genieten van het trage eilandleven: strand, boottochten van het type “hop on, hop off” naar paradijselijke stranden. En we maken het ons gezellig in ons huisje — wat gedateerd, oké, maar met twee onmiskenbare troeven: het is ruim, en het uitzicht op zee is ronduit fenomenaal. Vanaf het terras is het puur genieten.







Twee dagen later gaan we opnieuw het water op — dit keer onder een verzengende zon. Richting Rio, aan boord van een échte boot: traag, maar wat hoger op het water. We zijn opnieuw wat klam… maar dit keer niet door de golven. Gewoon door de hitte die aan onze huid plakt.
Rio de Janeiro, a cidade maravilhosa
Van 1763 tot 1960 was Rio de hoofdstad van Brazilië, en vandaag nog steeds de tweede grootste stad van het land met bijna 7 miljoen inwoners.
We bleven er slechts tweeënhalve dag — veel te kort om alles te zien, maar lang genoeg om onder de indruk te zijn: de botanische tuin, de Suikerbroodberg, een fietstocht langs de hele kust, en natuurlijk, het beeld van Christus de Verlosser. Veel rust zat er niet in met onze vrienden Jorun & Anthony!
Rio wordt liefkozend a cidade maravilhosa genoemd — de wondermooie stad. En eerlijk? Ik snap het. Er is iets hypnotiserends aan Rio, iets bijna onwerkelijks. Ik dacht altijd dat Sydney dé droomplek was om een stad te bouwen, maar Rio heeft me weggeblazen. Het is een puur filmdecor: granieten blokken die uit het niets lijken op te rijzen en die rechtstreeks in de oceaan duiken. En amper een halfuurtje rijden (als je tenminste geen file hebt), en je zit in de jungle van het Tijuca Nationaal Park. Jawel, een nationaal park midden in de stad. Wie doet beter?













Maar Rio is meer dan alleen een prachtig decor. Op straat voel je een rauwe energie. Een stad die nooit stilvalt. Het leeft, het zingt, het danst, het eet. Overal. Altijd. De restaurants, de levendige straten, de stranden – ze bruisen van het leven.
Rio, zo mooi… maar ook zo gevaarlijk. Niet alles is rozengeur en maneschijn hier. Bijna een kwart van de bevolking woont in een van de duizend favelas. De stad ging na de Olympische Spelen van 2016 bijna failliet. In de chiquere buurten is de politie alomtegenwoordig, maar zodra je die verlaat, nemen geweld, corruptie en de macht van bendes het over. Om de iconische stranden van Copacabana of Ipanema te bereiken, rijd je over een snelweg die dwars door minidorpjes loopt, vastgeplakt tegen de heuvels — mijlenver verwijderd van het glamourbeeld op de postkaarten.

En toch… vanaf ons hotel in Copacabana vergeten we even alles. Het uitzicht op de Suikerbroodberg en de hele baai is ronduit magisch. Rio is een stad met twee gezichten.
We sluiten deze betoverende pauze af met een laatste diner, voeten in het zand, samen met Jorun, Anthony, Rafael, Filippa & Frances… voor we afscheid nemen voor vijf maanden. Wat een reis! Negen dagen puur geluk — voor ons, maar ook voor Nola & Matteo.
Het was zó fijn om samen te reizen.
Net voor we vertrekken naar het Nordeste, het tweede deel van onze Braziliaanse ontdekkingstocht, wil ik nog even twee dingen met jullie delen. Twee lokale religies. Twee nationale obsessies. Carnaval en caipirinha. Je kunt er moeilijk naast kijken — en geloof me, je wíl dat ook niet.
Carnaval: ja, iedereen kent het carnaval van Rio de Janeiro, en de kenners hebben misschien ook gehoord van dat in Olinda of Salvador. Maar eigenlijk heeft elk Braziliaans dorp z’n eigen carnaval: een gammel podium, een haperende geluidsinstallatie en kilo’s goeie sfeer. En let op: het duurt niet gewoon een avondje. Nee, het is dagenlang feest, non-stop. Iedereen danst, zingt en vergeet het weer, de rekeningen, en soms zelfs waar hij woont. Het is veruit het belangrijkste feest van het land.
In tegenstelling tot Europa, waar we netjes applaudisseren vanop het trottoir met een wafel in de hand, is carnaval hier een collectieve belevenis. Je hoeft geen danstalent te zijn of een glitterbikini te dragen om mee te doen: je volgt gewoon een bloco, zo’n straatfanfare die al feestend door de wijken trekt. Iedereen doet mee: oma’s op teenslippers, kindjes verkleed als Spider-Man, toeristen die even niet weten waar ze zijn. Op het Braziliaanse carnaval zijn er geen toeschouwers, alleen deelnemers.




En historisch gezien is dat logisch (ja hoor, we zijn naar het carnavalsmuseum geweest — we nemen onze rol als toerist au sérieux). Oorspronkelijk was carnaval iets voor de blanke elite: een chic gemaskerd bal, met champagne en gepoederde pruiken.
Tot de Afro-Braziliaanse gemeenschappen binnenkwamen met hun drums, hun ritmes, hun energie… en het feestje volledig op z’n kop zetten. Het resultaat? Vandaag is carnaval een straatfeest geworden, volkser, kleurrijker, en heerlijk chaotisch. Alle sociale klassen vieren samen. Het is het grootste feest van het land, en iedereen mag schitteren — zelfs in een fluoroze leopard-string.
Caipirinha of de limoenreligie… We hadden de caipirinha in eender welk hoofdstuk over Brazilië kunnen proppen, want deze nationale drank is écht overal. Op het strand, op de markt, in de bar, of gewoon aan een geïmproviseerd kraam op het voetpad… Het is goedkoper dan een glas wijn (en doeltreffender als je samba wil dansen).
Samen met Jorun en Anthony hebben we dan ook gedaan wat elke reiziger in Brazilië moét doen: we hebben deze traditie geëerd. Intens.
De klassieke versie? Limoen, suiker en cachaça — het lokale wijwater, 2 euro voor een literfles. Maar je vindt ze ook met aardbei, passievrucht (mijn favoriet!) of mango.
2. Nordeste: hitte, favelas en eindeloze stranden
Het is even na acht uur ‘s avonds wanneer we in Recife landen. De temperatuur is misschien dezelfde als in Rio, maar de luchtvochtigheid is volledig ontspoord. Je krijgt het gewoon op je adem. We proppen ons in een oude taxi. Het is stikdonker, de kinderen dommelen weg, maar de sfeer is allesbehalve rustig. De straten zijn leeg, maar die stilte stelt absoluut niet gerust. De chauffeur, één oog op de weg, het andere in de achteruitkijkspiegel, maakt omwegen terwijl hij mompelt: “É uma favela, é perigoso…” — dat is een favela, dat is gevaarlijk.
Het zijn geen krottenwijken in de klassieke zin van het woord: het zijn hele buurten, vaak in baksteen gebouwd, meestal aangesloten op elektriciteit, water en riolering, met winkels, scholen, een écht gemeenschapsleven.
Welkom in de Nordeste. Een van de armste — en gewelddadigste — regio’s van Brazilië. Armoede en geweld gaan hier vaak hand in hand. Hier verbergt de armoede zich niet achter palmbomen. Ze staat in vol daglicht. Ze leeft samen met postkaartstranden, gloednieuwe wolkenkrabbers en geairconditionede shoppingcentra. Ze maakt deel uit van de stad. Ze is de stad.

En de favelas zijn het kloppende hart ervan. Ik had er in elk hoofdstuk over Brazilië over kunnen schrijven, zo alomtegenwoordig zijn ze. Recife, Rio, São Paulo, Salvador, Curitiba… elke grote stad telt er honderden.
De favelas zijn ontstaan uit de geschiedenis. Toen de slavernij in 1888 werd afgeschaft, kregen voormalige slaven geen grond en geen woning. Voeg daar de gezinnen aan toe die vanuit het platteland vluchtten voor de armoede van de sertão — die droge, dorre streek in het noorden — en je krijgt een massale migratie naar de steden. Bij gebrek aan oplossingen bouwden ze aan de rand, op hellingen, op onbebouwbare grond, in de blinde vlekken van de staat. Wat de staat hen niet gaf, namen ze zelf.
Ja, er is geweld. Ja, er is drugshandel, wapens, territoriumoorlogen. De Nordeste concentreert enkele van de hoogste moordcijfers van het land. Recife staat daarbij vaak hoog in de rankings. En het is niet dat de concurrentie klein is: het nationale moordcijfer in Brazilië ligt maar liefst 25 keer hoger dan dat van Frankrijk! De spanning is tastbaar.
Maar pas op met clichés: de meeste mensen die je ontmoet in het museum, het restaurant of het hotel komen net van daar — uit de favela. In Rio zegt men dat elke chique wijk een tweelingfavela heeft, die aan de heuvel vastplakt, als een schaduw. Daar wonen de arbeidskrachten: obers, schoonmakers, gidsen, straatverkopers… Dat onzichtbare maar o zo essentiële Brazilië. En eerlijk: tijdens onze eerste 45 dagen in het land hebben we ons nooit echt onveilig gevoeld.
Na dertig minuten in de taxi komen we aan in onze bestemming: Olinda, recht tegenover Recife. Maar we komen hier niet (alleen) voor de geschiedenis. Hier zien we de moeder en stiefvader van Suzanne terug. Meer dan zeven maanden zonder elkaar. Zeven maanden zonder Matteo en Nola in hun armen te sluiten. Het weerzien doet deugd. Voor hen, voor ons, voor de kinderen.
De volgende dag verkennen we het koloniale stadje Olinda. We hadden het ons vrolijk, feestelijk, kleurrijk voorgesteld. En dankzij de laatste carnavalstoeten krijgen we daar alvast een voorproefje van.
Maar we waren ook een beetje teleurgesteld in de stad. Olinda, sinds 1982 erkend als UNESCO-werelderfgoed, lijkt betere dagen gekend te hebben. Ze is mooi, dat wel, maar oogt verwaarloosd.



Nochtans was deze stad op de heuvels ooit een van de eerste belangrijke koloniale steden van Brazilië. In de 16e en 17e eeuw was ze zelfs de economische hoofdstad van het land. Ze werd al vroeg rijk dankzij de eerste pijler van de Braziliaanse koloniale economie: suikerriet. De Portugese kolonisten werden steenrijk, terwijl Afrikaanse slaven zich kapot werkten op de omliggende plantages. Klassiek verhaal. Tot de Nederlanders in 1631 langskwamen en de stad — letterlijk — in brand staken. Olinda verdween in de vergetelheid.
Bedankt, jongens.

Na twee dagen met mijn schoonouders krijgen we het ultieme luxe-cadeau van dit jaar: zes dagen met z’n tweeën.
Helemaal alleen…
Zonder kinderen…
Onze eerste en enige bubbel met z’n tweetjes in deze 365 dagen! Merci, Toto & Mutti.
Ik dacht dat het een bevrijding zou zijn. Een opluchting. Maar… nee. Het voelde vreemd. Die twee kleine monstertjes maken deel uit van ons. We zijn een team geworden, een eenheid, een hechte familie. Natuurlijk maken we ruzie (vaak), en dromen we soms van stilte… maar dit is ons evenwicht. Nooit gedacht dat ik dat in België zou zeggen.
Dat gezegd zijnde, het deed toch deugd. Ik ga niet alles in detail vertellen, maar die dagen met z’n tweeën bestonden uit lekkere restaurantjes, wandelingen op het strand en, natuurlijk — het blijft een reis — een hoop logistiek om het vervolg voor te bereiden. Ah ja, en mijn eerste echte verkoudheid in zeven maanden. Blijkbaar heeft zelfs het lichaam z’n eigen grillen.






Eenmaal de kinderen weer opgepikt, en na nog twee dagen met de schoonouders, trekken we verder richting het zuiden. Het was heerlijk om samen tijd door te brengen.

Het Noordoosten van Brazilië telt zo’n 3.500 km kustlijn. Wij hebben niet alles gedaan, maar toch meer dan 1.000 km langs de oceaan gereden. Vaak slingerend tussen dorpjes, duinen en palmbomen, soms met een veerboot. Grote snelwegen? Vergeet het. Hier heb je tijd nodig, geduld, en een auto die tegen een stootje kan.
Wat we onderweg zien? Adembenemende landschappen. Het blauw van de zee flirt met het diepgroen van tropische bossen. Overal zie je suikerriet, cacao en katoen. Maar als je verder het binnenland in trekt, kom je in de sertão: een dorre streek waar rivieren zes maanden per jaar droog staan, en waar de vegetatie bestaat uit cactussen en verbrande struiken.








Tijdens onze roadtrip langs de kust botsen we ook op een andere, rauwere realiteit: die van het land. Brazilië is een land van grootgrondbezitters, en hier is dat nóg duidelijker: 70% van de grond is in handen van slechts 4% van de eigenaars. Dat onevenwicht gaat terug tot de koloniale tijd, toen de grote suikerrietplantages (fazendas) ontstonden. We hebben het vaak over de katoenplantages in het zuiden van de VS, maar hier is het net hetzelfde. Kilometerslange velden die een elite rijk maakten — ten koste van een uitgebuite bevolking.
En ook vandaag nog bepaalt dat model de Braziliaanse samenleving. Aan de ene kant de grote landeigenaars, aan de andere kant een arme plattelandsbevolking.
Na twaalf dagen in het Noordoosten en meer dan 1.000 kilometer met een gemiddelde snelheid van 50 km/u, zien we eindelijk het bord verschijnen: “Salvador de Bahia”.
Een nieuw hoofdstuk begint. Dikke kussen van ons!


Leave a comment