Na Uruguay en Paraguay: welkom in land nummer 3 en 4 van de zeer exclusieve club der ‘(bijna) nooit bezochte bestemmingen in Latijns-Amerika’.

Om onze Zuid-Amerikaanse trilogie van het onbekende af te ronden, besloten we onze rugzak tien dagen neer te zetten in Frans-Guyana en daarna acht dagen in Suriname. Twee van de drie landen (samen met Guyana) die samen die mysterieuze regio vormen die men de Guyana’s noemt.
Historisch gezien hebben deze twee stukjes jungle een bijna identiek parcours gevolgd. In de 17e eeuw gekoloniseerd: het ene door de Fransen, het andere door de Nederlanders. Plantages in overvloed. En om dat allemaal draaiende te houden: een ouderwetse economie gebaseerd op slavernij, met Afrikanen die van hun continent werden weggevoerd om te zwoegen in 35 graden in de schaduw.
Maar aangezien ik al een hele lap tekst heb geschreven over die donkere bladzijde van de geschiedenis in een Braziliaanse blogpost (die met de barokkerken en de trommels), bespaar ik jullie de herhaling.
Suriname werd onafhankelijk in 1975, gedragen door een nationalistische golf in de jaren 60 en 70. Frans-Guyana daarentegen bleef… Frans. In tegenstelling tot Suriname is er in Frans-Guyana nooit een breed gedragen onafhankelijkheidsbeweging ontstaan, noch gedragen door de lokale elites, noch gesteund door de Franse staat.

En dus kan je in 2025 nog steeds de Atlantische Oceaan oversteken en verwelkomd worden door een bord met “République française”, betalen in euro’s en Frans spreken — midden in Latijns-Amerika. Frans-Guyana is vandaag het grootste Franse departement.
Een tropisch gebied, op 7.000 kilometer van Parijs, dat de langste landgrens van Frankrijk deelt: 730 kilometer met Brazilië. Jawel, dat lees je goed.
Geografisch is het (bijna) even simpel: meer dan 90 % van het grondgebied van beide landen is bedekt met tropisch regenwoud – een (bijna) wereldrecord. En de rest? Een handvol steden en dorpen die zich vastklampen aan de kust. Hoe verder je landinwaarts gaat, hoe sneller de bevolkingsdichtheid daalt… tot ze bijna onbestaande wordt. En trouwens, er zijn gewoon geen wegen. Niets. Om het binnenland te bereiken: pirogue of een klein vliegtuigje. Denk: Into the Wild, maar dan in een equatoriale versie.
Onze odyssee begint in het oosten… héél in het oosten. In Cayenne, de rustige (maar klamme) hoofdstad van Frans-Guyana. Twee à drie dagen rustig rondhangen: een bezoek aan de dierentuin, wat luieren aan het zwembad, een beetje shoppen, een wandeling langs de zee…






En vooral: we wachten op onze eregast — Bouvy (alias parrain of peter voor Nola) — die vers uit Europa komt aangevlogen voor een week vol tropisch avontuur. Uiteraard hebben we voor hem een programma op maat samengesteld. Pittig. Zweterig. Onvergetelijk.
Woensdag: de Molokoi
Bouvy is nog maar net uit het vliegtuig gestapt, of we gaan er al meteen invliegen: met z’n tweeën trekken we voor één nacht naar een carbet — een typisch houten onderkomen in de Guyana — om de volgende ochtend om 7 uur te vertrekken voor de langste bewegwijzerde trektocht van Frans-Guyana: de Molokoi.
20 kilometer, 30 graden in de schaduw, 95 % luchtvochtigheid, en in de namiddag een flinke stortbui om het af te maken.
20 kilometer aan stijgen, dalen, uitglijden… met 805 hoogtemeters – het soort wandeling waarbij je je benen nog twee dagen voelt.
De jungle is overal. Dichtbegroeid, groen, levendig. Wortels slingeren over de grond, rivieren doorkruisen het pad, en de muggen heten ons welkom als een erecomité. Onze voeten zijn voortdurend doorweekt, vaak onder de modder… en toch, een echt gevoel van onderdompeling. Pure natuur, ongefilterd. Vermoeiend, maar ook opwindend.







’s Avonds zijn we uitgeput, maar trots.
En toch vind ik nog de energie om een verrassingsetentje te organiseren voor Suzanne haar verjaardag. Gelukkige verjaardag, schat!

Vrijdag: het ruimtecentrum
Na een overgangsdag verandert de sfeer volledig: we trekken naar Kourou, richting het Centre Spatial Guyanais. Alhoewel… “Guyanees” is eigenlijk niet helemaal correct. In werkelijkheid gaat het hier om de lanceerbasis van heel Europa.
100 % van de Franse – en Europese – civiele en militaire satellieten vertrekken van hier, dankzij de Ariane- en Vega-raketten. En dat allemaal vanuit een smalle strook Amazonewoud, ingeklemd tussen mangroves, moerassen en brullende apen.


De site is gigantisch: bijna 700 km², dus groter dan Parijs. Zo uitgestrekt dat er zelfs een natuurreservaat op het terrein ligt, waar jaguars, kaaimannen en andere tropische beestjes samenleven – letterlijk op een steenworp van de lanceerplatforms.
De rondleiding is echt de moeite waard. Zelfs voor wie niet zo’n space-nerd is. Zelfs Nola vond het geweldig, dat zegt genoeg. En ja, een echte lanceerzone zien, dat is toch nét iets anders dan door de NASA-app scrollen.
Spoiler alert: foto’s verboden… jullie zullen ons dus op ons woord moeten geloven.
De dag eindigt in alle rust: een cocktail bij zonsondergang, voeten in het zand, met uitzicht op de Atlantische Oceaan.
De kinderen spelen in zee, een mix van water en modder, typisch voor de lokale stranden.
Ze genieten ervan om opnieuw in het Frans te kunnen spelen, na maanden waarin ze amper begrepen werden door Brazilianen en Spaanstaligen, en ze maken meteen nieuwe vriendjes.
Beetje bij beetje dringen de scherpe contrasten van Guyana zich in ons geheugen.





Zaterdag: catamaranexcursie naar de Îles du Salut, 14 km uit de kust van Kourou.
De plek is prachtig: drie weelderige eilandjes, omringd door turquoise water en bewoond door nieuwsgierige agoeti’s en kapucijnapen. Een echt postkaartbeeld.
Maar achter die schoonheid schuilt een duister hoofdstuk uit de Franse geschiedenis: deze eilanden waren ooit de locatie van een van de meest gevreesde strafkolonies van de Republiek.

Hier werd kapitein Dreyfus vier lange jaren gevangen gehouden, ten onrechte beschuldigd van verraad. Later zou Zola zijn beroemde “J’accuse” schrijven, waarmee hij de publieke opinie opschudde en de absurditeit van het hele systeem blootlegde.
Ter plaatse is het contrast schrijnend: een paradijselijke zee, wuivende palmbomen… en stille gevangenisruïnes.
Je zou bijna vergeten dat deze plek ooit een oord van dood was.
Een groot deel van de gevangenen stierf hier – aan ziektes, mishandeling of, simpelweg… aan pure wanhoop.
Je ziet nog altijd, recht tegenover de oceaan, de exacte plek waar men de lijken in zee dumpte, waar ze eindigden als haaienvoer.






Hier, in tegenstelling tot de strafkolonies in Australië, werd Frans-Guyana nooit gezien als een nieuw begin. Het was geen kolonie om op te bouwen, maar een openluchtkerkhof. Een eindstation voor wie de Republiek liever kwijt dan rijk was.
Slechts weinige bagnards konden hier hun leven heropbouwen. Zij die het overleefden, bleven vaak aan de rand van de samenleving hangen – zonder rechten, zonder toekomst.
Bijna een eeuw lang was Frans-Guyana letterlijk de strafkolonie van Frankrijk. Overal doken kampen op: in Cayenne, in Saint-Laurent, diep in het woud. Iedereen werd opgesloten: politieke gevangenen, recidivisten, misdadigers… en zelfs kleine dieven die levenslang kregen omdat ze een brood hadden gestolen.
Op het hoogtepunt zaten er bijna 7.000 gevangenen op een vrije bevolking van amper 25.000 inwoners. Een kwart van de bevolking! Een hallucinante verhouding.
Vanuit Parijs werd Frans-Guyana gezien als een lege, vijandige, verre uithoek – ideaal om ongewensten levend te begraven.
Maandag – Saint-Laurent du Maroni
Laatste halte van ons avontuur in Frans-Guyana.
We varen de Maroni op met een pirogue, deze vloeibare grens tussen Suriname en Frankrijk. De tocht is prachtig: we bezoeken dorpen die enkel per boot bereikbaar zijn, dompelen ons onder in de dichte jungle, met gouden zonnestralen die door de reusachtige bladeren breken…






’s Namiddags genieten we nog van onze laatste uurtjes samen. Zwembad, zon, gelach met Bouvy… de Guyaanse tussenstop loopt stilaan ten einde.
Dinsdag – Het woelige vertrek
Matteo wordt wakker met 38,5° koorts en een brandende voet. Gezwollen, rood, heet. Hij kan onmogelijk stappen.
Geen tijd om te twijfelen: richting spoed. Om 12 uur moeten we de grens oversteken, en ik wil absoluut naar het ziekenhuis aan de Franse kant.

Geloof me, je vierjarige zoon naar het ziekenhuis brengen is nooit een pretje… maar als je het in Suriname kunt vermijden, is dat des te beter. Niet dat het daar de hel is, maar om het beleefd te zeggen: de Franse kant is toch net iets beter.
In de wachtzaal hangt er een typische Guyana-sfeer: ik hoor vijf verschillende talen om me heen. Frans, Portugees, Spaans, taki-taki (de lokale taal), en een soort tropisch Nederlands. Een echte Babel-toren op evenaarbreedte.
Een paar uur later valt het verdict: een lokale infectie veroorzaakt door een klein stukje hout dat in Matteo’s voet is blijven zitten.
Niets ernstigs, maar hij moet wel aan een antibioticakuur beginnen.

We haasten ons naar de apotheek, gooien onze rugzakken in de koffer en precies om twaalf uur stappen we in een korjaal om de Marowijnerivier over te steken.
Maar eerst geven we Bouvy nog een dikke knuffel. Hij rijdt terug naar Cayenne en vliegt daarna naar België.
Tien minuten later staan we aan de overkant. Welkom in Suriname!
Een grensovergang waar de officiële talen Frans en Nederlands zijn… Voor een Belg is dat even vreemd: onze twee landstalen, zij aan zij, midden in het Amazonewoud!

Hier blijft het Nederlands de taal van de school, de administratie en de verkeersborden.
Maar thuis spreekt men vaak iets helemaal anders: sranan tongo, Javaans, Hindi, Engels, Chinees… Een vrolijke wirwar van talen.
Na anderhalf uur op de bus komen we aan in Paramaribo, vol ongeduld om onze tweede eregast terug te zien: Naomi (aka tante Bomi, voor de ingewijden). Blijkbaar heeft ons bezoek aan Bali haar niet afgeschrikt, en is ze vastbesloten om nu ook Suriname met ons te ontdekken.
Paramaribo? Toch een beetje een tegenvaller, eerlijk gezegd. Ja, de mooie houten koloniale huizen zijn er wel, en zelfs in grote aantallen. Maar veel ervan staan op instorten, opgegeten door vocht en tijd. Enkele straten hebben wel charme, maar je hebt het snel gezien. De stad is weliswaar Unesco-werelderfgoed, maar ze zou dringend opgefrist moeten worden — alleen is het moeilijk te zeggen wie daar het geld (of de goesting) voor heeft.





Want Suriname is arm. Héél arm. Sinds de onafhankelijkheid in 1975 is het land economisch nooit echt van de grond gekomen. Het bbp per inwoner is 3,5 keer lager dan dat van het buurland Frans-Guyana. En zelfs dat cijfer verbergt de schrijnende ongelijkheid. Het toppunt? Naar schatting 20 tot 30% van het Surinaamse bbp zou voortkomen uit cocaïnesmokkel. Suriname is uitgegroeid tot een belangrijke doorvoerhaven tussen Colombia en Europa – geholpen door een zwakke en grotendeels corrupte staat.
En toch ontbreekt het het land niet aan rijkdommen: tropisch hout, goud in overvloed, prachtige natuurreservaten… en nu ook olie. Véél olie. Twee jaar geleden werden enorme offshorevelden ontdekt, die de economie wel eens helemaal zouden kunnen omgooien. We kwamen trouwens aan vlak na de verkiezingen, waarin het publieke debat vooral rond één vraag draaide: hoe zorgen we ervoor dat deze rijkdom de 600.000 Surinamers ten goede komt? Of, iets cynischer: hoe voorkomen we dat het geld gewoon verdwijnt in de zakken van alweer een multinational… of van een handvol goedgeplaatste machthebbers?
Maar goed, terug naar het leven van alledag. En naar wat zo vaak het mooiste is tijdens een reis: de mensen die je ontmoet.
De beste gesprekken? Die had ik zelden op de typische plekken… maar wel bij de kapper of in een taxi. Plaatsen waar vaak een onverwachte mix samenkomt van locals en migranten die er intussen ook één zijn geworden. Flarden van levens, puur, spontaan. Altijd een onverwacht tussendoortje. Soms grappig, vaak ontroerend.
Wat kappers betreft, heb ik de wereld al rondgereisd: een Afghaan in Australië, een Iraanse in Canada, Vietnamezen, een Paraguayaanse, Chinezen, Brazilianen… het lijstje wordt met elke halte langer.
En dus denk ik in Paramaribo: “Eindelijk een land waar ik gewoon in een taal die ik beheers kan uitleggen wat ik wil!” (Nederlands, voor wie de draad kwijt is). Mispoes. Mijn kapper spreekt alleen Engels.
Ach, ik zeg toch altijd hetzelfde: “Gewoon twee centimeter,” en dan laat ik ze hun ding doen.

We kletsen vijf minuutjes gezellig in het Engels, en dan vraag ik waar hij vandaan komt.
“From Cuba,” antwoordt hij.
En zonder erbij na te denken schakelen we over naar het Spaans.
Het gesprek zal nog een uur doorgaan, zonder ook maar één moment stilte.
Hij vertelt me dat hij Cuba vijf jaar geleden verlaten heeft. Met een rugzak, 800 dollar op zak, en een enkele vlucht naar Suriname — zogezegd voor toerisme, maar zonder enige intentie om terug te keren.
Hij kende niemand hier. Hij had geen plan. Alleen de drang om elders te overleven.
Een paar dagen later, in een barretje ergens midden in de jungle, praat ik met een Cubaans koppel dat pas vijf maanden geleden is aangekomen.
Hij werkt als arts in het lokale ziekenhuis, zij werkt in het café. Hun verhaal is hetzelfde.
Hetzelfde land waar ze van houden, maar dat onleefbaar is geworden.
Hetzelfde onderdrukkende controlesysteem.
Dezelfde extreme armoede.
En dezelfde wanhoop die hen deed vluchten.
Over dit soort migraties hoor je weinig in Europa.
Toch zit Latijns-Amerika vol met Cubanen, Venezolanen, soms Colombianen, die hun thuisland zijn ontvlucht op zoek naar een iets minder onzekere toekomst.
Telkens ik met hen praat, valt me één ding op:
Er is ontzettend veel moed voor nodig om alles achter te laten — je familie, je roots, je taal, je gewoontes — en helemaal opnieuw te beginnen, zonder iets, in een land waar je nauwelijks iets over weet.
Moed… en ook heel veel wanhoop.
Maar wat me nog meer treft, is hoezeer Europa migratie ontmenselijkt heeft.
Men spreekt over stromen, quota, crisissen. Zelden over mensen.
En toch, elke migrant die ik onderweg gesproken heb — en geloof me, dat zijn er intussen tussen de dertig en vijftig — draagt een diepe innerlijke scheur met zich mee. Die van een hart dat moest breken om het land dat het liefhad te verlaten.
Na Paramaribo: op naar de jungle
Drie uur bus, een uur in een korjaal over de rivier, en we zijn aangekomen in wat de komende drie dagen onze thuis zal zijn.
Een afgelegen lodge, ingeklemd tussen het dichte regenwoud en de Surinamerivier. Een prachtige plek. Stil, groen, levendig.
De lodge is eenvoudig. Zeer eenvoudig.
We slapen met z’n vijven in één kamer, zonder airco. Niet onaangenaam, maar… laten we zeggen… klam.
Airco is een luxe, akkoord.
Maar als je in een tropisch klimaat leeft, met 95% luchtvochtigheid en nachten waarin je vanaf 20u al aan je laken plakt, dan besef je al snel: airco is er niet alleen voor de koelte. Het is er vooral om de kamer te drogen.
Want hier is alles vochtig: de matras, het kussen, de kleren in je rugzak, die vanaf dag twee een lichte keldergeur krijgen… Het soort geur dat pas verdwijnt na twee wasbeurten en een paar uur volle zon.
Het programma is relaxed: wat lummelen, gezellige avondjes met een stel Nederlanders, wat wandelingen in de jungle, een poging om kaaimannen te spotten (spoiler: we hebben er geen enkele gezien — maar eerlijk, na al die kaaimannen in Brazilië zijn we niet eens teleurgesteld),
en vooral: het bezoek aan een marrondorp.
Waarschijnlijk het meest beklijvende moment van ons verblijf hier.







Net zoals in Frans-Guyana is ook Suriname bevolkt door afstammelingen van Afrikaanse slaven, gedeporteerd om op de plantages te werken onder het Nederlandse koloniale bewind.
Velen van hen zijn destijds van de kust en de velden gevlucht om een toevlucht te zoeken in het binnenland, dat moeilijker bereikbaar was. Daar stichtten ze autonome, weerbare en onafhankelijke gemeenschappen, diep geworteld in hun Afrikaanse cultuur.
Ze worden de Marrons genoemd, zoals overal in koloniaal Amerika.
Vandaag is nog steeds zo’n 15% van de Surinaamse en Guyanese bevolking van marron-afkomst, verspreid over dorpen die vaak afgelegen liggen langs de rivieren.
Ze leven meestal in sobere, soms precaire omstandigheden — maar met een voelbare trots.
Je ziet er vrouwen die hun was doen in de rivier, kinderen die er naakt in baden…
Als ik je zou zeggen dat we in Afrika zijn, zou je me geloven.
Tijdens ons bezoek werden we met nieuwsgierigheid onthaald. Een paar voorzichtige glimlachen — niet echt te vergelijken met de warmte van Fiji, dat is waar — en hier en daar een wat wantrouwige blik.
Zoals altijd zijn het de kinderen die het meest open en spontaan zijn.
Ze speelden tientallen minuten met ons, een eenvoudig maar hilarisch spel: een fles water tussen onze benen doorrollen zonder dat we ze konden pakken.
Elke keer als het lukte, barstte de hele groep uit in schaterlachen — aanstekelijk, puur en heerlijk spontaan.







8 juni 2025 – Matteo wordt vandaag 5 jaar. Al vijf! En van die vijf jaren heeft hij er eentje rond de wereld gezworven.
Een jaar waarin hij zichtbaar is gegroeid. Logisch, als je voortdurend optrekt met volwassenen en een grote zus die vierënhalf jaar voorsprong heeft, dan steek je er wat van op.
Hij is een heerlijk mannetje. Grappig, pienter, een tikkeltje deugniet, boordevol energie, een echte knuffel- en kusjesmachine, en in staat om uren te stappen zonder klagen (of toch bijna).
Sinds het begin van onze reis past hij zich aan met een bewonderenswaardige flexibiliteit: om de twee à drie dagen een nieuw bed, voortdurend wisselende plekken, een onafgebroken stroom van nieuwe activiteiten… en hij volgt, kijkt, leert, past zich aan.
Zijn favoriete vraag – een soort refrein, ongeacht het land – blijft: “Hoeveel nachtjes slapen we hier?”
Vandaag herinnert hij zich België nog amper. En dat “nog amper” is waarschijnlijk alleen te danken aan de telefoontjes met familie en vrienden, en aan de verhalen die we hem vertellen.
Voor hem is België een soort verloren paradijs – een mythische plek vol bergen speelgoed. Een ietwat geromantiseerd beeld, natuurlijk.
Soms vraag ik me af of hij niet liever een verjaardag had gehad met al zijn vriendjes erbij… en een reuzegrote taart!
Gelukkig had België zich vandaag een beetje verstopt in de jungle van Suriname.
We hadden het slim aangepakt: in Paramaribo onze rugzakken gevuld met kleine verrassingen, zodat we niet met lege handen zouden aankomen in het midden van nergens.
Gelukkige verjaardag, Matteo. We zien je graag.




We brengen nog twee rustige dagen door aan zee, tot we om 2 uur ’s nachts worden opgehaald door een taxi die ons naar de luchthaven brengt.
Op 11 juni 2025, exact vier maanden na onze aankomst, verlaten we het Zuid-Amerikaanse continent voor onze allerlaatste etappe: Canada.
We kijken ernaar uit om totaal andere landschappen te ontdekken én om opnieuw de weg op te gaan met een campervan – dezelfde campervan die iedereen zo geweldig vond tijdens ons avontuur in Australië.
Eerlijk? Van Frans-Guyana en Suriname verwachtten we eigenlijk niet veel. Onze verwachtingen waren bescheiden, om niet te zeggen vaag.
En toch… zijn we aangenaam verrast.
Dat we deze twee landen samen met vrienden mochten ontdekken, heeft daar zeker toe bijgedragen.
Wat een geluk om hen terug te zien, om weer eens andere gesprekken te voeren, maar ook – laat ons eerlijk zijn – om de aandacht die de kinderen constant vragen een beetje te kunnen delen.
Uiteindelijk hebben Frans-Guyana en Suriname ons veel meer gebracht dan we hadden gedacht: verrassingen, waardevolle tijd, intense ontmoetingen, ruwe en ongerepte natuur.
Een dikke knuffel, en tot heel binnenkort… voor het vervolg van ons avontuur in Canada!
PS: een kleine extraatje!



Leave a comment