Diamanten, goud en slavernij: hoofdstuk II van onze Braziliaanse odyssee

3. De staat Bahia, 20 maart – 5 april 2024

We komen aan in Salvador de Bahia, bijgenaamd het zwarte Rome. Hier is het land dat we vandaag “Brazilië” noemen ontstaan. Twee eeuwen lang, tot in 1763, was Salvador de hoofdstad van het koninkrijk, voordat de macht naar Rio verhuisde.

De ligging is majestueus: het is de op één na grootste baai ter wereld — niet niks. Geen wonder dat de Portugezen hier hun koffers als eersten hebben neergezet.

De baai, die Baía de Todos os Santos heet (Baai van Allerheiligen), zet meteen de toon.

Want kerken… die zijn er overal.

Men zegt dat er 365 zijn — eentje voor elke dag van het jaar. In werkelijkheid zijn het er eerder tussen de 150 en 200, maar het beeld is blijven hangen en toont goed hoeveel gebedshuizen de stad telt.

Maar wat je echt meteen opvalt als je door de stad wandelt, is de mix van Afrika en Europa.


Bijna 80% van de bevolking is van Afrikaanse afkomst. Want Salvador is ook het hart van het slavernijverleden van Brazilië.

De meesten van jullie denken bij het woord “slaven” waarschijnlijk eerst aan slaven in de Verenigde Staten, gebukt onder de zon op katoenplantages. Dat is niet onjuist. Maar het toont vooral hoe sterk de media en series (dank u, Hollywood en Netflix) onze geesten hebben gekoloniseerd zodat dit de eerste associatie is die we maken.

Want in werkelijkheid “ontvingen” de Verenigde Staten slechts minder dan 400.000 slaven tijdens de trans-Atlantische slavenhandel (16e tot 19e eeuw). Uiteraard wordt dit vandaag nog steeds gezien als een zeer zwarte pagina in hun geschiedenis. Maar wat de geschiedenisboeken ons echter minder vertelden is dat in Brazilië ondertussen … het echt alles sloeg: 5 miljoen Afrikanen werden tot slaaf gemaakt. 12 tot 13 keer zoveel. Geen detail om zomaar over te slaan dus.

Die driehoekshandel was vier eeuwen lang pure horror: schepen vertrokken uit Europa, vol prullen en waardeloze rommel, ruilden die in Afrika tegen mensen — ja, mensen — en propvol werden ze in het ruim richting Amerika gepropt. Op de terugweg? Suiker, katoen en koffie. Volgeladen.

Slavernij bleef in Brazilië bestaan tot 1888. Historisch gezien: gisteren nog. In de VS: afgeschaft in 1865. In het Verenigd Koninkrijk: in 1833.

En die geschiedenis zie je hier overal. Vandaag noemt 55% van de Brazilianen zich zwart of van gemengde afkomst. Geen stille meerderheid, maar het kloppende hart van het land. Zoals Lula zei toen Rio kandidaat was voor de Olympische Spelen: “Wij zijn niet gewoon een gemengd volk, wij zijn fier dát we het zijn.”

En toch: die late afschaffing van slavernij wordt vaak genoemd als een van de redenen waarom de Braziliaanse samenleving vandaag zo ongelijk en soms extreem gewelddadig is. Eeuwenlang werd een racistische en brute hiërarchie niet alleen aanvaard, maar zelfs als logisch beschouwd.

Toch is Brazilië erin geslaagd iets te doen waar maar weinig landen in geslaagd zijn: een natie bouwen met zo veel verschillende culturen, zonder burgeroorlog, zonder splitsing van het land. Hier is migratie geen politiek explosief onderwerp. Het zit gewoon in het DNA, net zoals samba of voetbal.

Respect dus, voor die culturele eenheid die zo’n gigantisch land toch doet draaien. Ter vergelijking: de oude Spaanse kolonies in Zuid-Amerika, op een gelijkaardig grondgebied, zijn uiteengevallen in negen landen.

Een gedachte om mee te nemen.

Maar goed, terug naar Salvador, want ik heb jullie eigenlijk nog niets — of toch bijna niets — verteld over hoe de stad vandaag aanvoelt. Eigenlijk is stad bijna een verkeerd woord – het lijiken wel meerdere steden in één.

Eerst het historische centrum. Echt prachtig. De wijk Pelourinho, UNESCO-werelderfgoed.
Koloniale huisjes in alle kleuren, kasseien die onder je voeten tikken, barokke kerken zó overdadig goud dat je er bijna pijn aan je ogen van krijgt.

Pelourinho… de naam klinkt bijna vrolijk, maar dit was dus de plek waar slaven publiekelijk werden vastgebonden en gegeseld. Niet meteen gezellig.

De wijk is veel groter dan we gedacht hadden.

En de sfeer? Heerlijk gemoedelijk. Overal musea, restaurantjes, en capoeiristas die hun kunst laten draaien en zwieren op pleintjes alsof het niks is.

Iedereen heeft al wel eens capoeira gezien, toch? Maar wie weet eigenlijk waar dat vandaan komt?

Capoeira is een mix van dans, gevecht en spel, en is ontstaan in de quilombos — dat waren dorpen opgericht door gevluchte slaven, hier in de buurt van Salvador. Afrikaanse slaven verstopten hun vechttechnieken in dansbewegingen, om de kolonisten te misleiden. Slim gezien.

En dan heb je ook nog het strandleven in Salvador.

We hebben heel wat rondgeslenterd langs prachtige stranden zoals Barra — het bekendste van allemaal, met zijn vuurtoren die daar staat alsof hij speciaal voor een postkaart gemaakt is — en Ondina, wat rustiger, meer voor de locals.
We hebben zelf een hele dag genomen om gewoon te niksen, wat te zwemmen en te kijken hoe de stad langzaam in de Atlantische Oceaan zakt.

En dan is er de rest van de stad.

Wijken waar alles in verval lijkt te raken (en dat zijn er veel), favelas die zich eindeloos uitstrekken — een andere kant van Brazilië: ruwer, harder, mijlenver van de clichébeelden.

We zijn twee keer teruggekeerd naar Salvador tijdens de vijf dagen dat we in de regio verbleven.
En bij ons vertrek dachten we allemaal hetzelfde: eigenlijk hadden we nog wat langer willen blijven. (Oké, Mattéo herhaalde gewoon wat wij zeiden, maar hij leek het toch ook te menen.)

Tijd om onze rugzakken weer in te pakken, want Bahia — zoals vaak in Brazilië — is gigantisch. Zo groot als Frankrijk, ongeveer.
We gaan er drie stops maken: Morro de São Paulo, Itacaré, en ten slotte de Chapada Diamantina.

Morro de São Paulo

Twee ferry’s en 2,5 uur rijden later zetten we voet aan wal op het eiland Tinharé, meer bepaald in Morro de São Paulo.
Hoe deze plek te omschrijven? Officieel is het het strandresort van de inwoners van Salvador.
Maar in werkelijkheid is het een autovrij dorpje met eindeloze, bijna surrealistische stranden.

In het hoogseizoen is het hier overvol. Maar nu, buiten de vakantieperiodes, is het een klein en rustig paradijs.
Behalve wat lesgeven aan Nola en het vervolg van de reis plannen, hebben we… eigenlijk enkel vooral op het strand gelegen.
Er zijn vijf stranden, sommige zo lang dat je er kilometers kan wandelen met je voeten in het water, afgewisseld door een zwempartij, een hapje eten of een caipirinha drinken. Best oké als dagplanning toch.

De plek is ronduit betoverend: de diepblauwe zee voor je, het dichtbegroeide regenwoud in je rug, en jij ergens daartussenin, met je voeten in het warme zand.
Braziliaanse stranden zijn sowieso indrukwekkend: gigantisch, nooit echt druk, en altijd is er wel een bar of strandrestaurantje in de buurt. Soms zie je zelfs drijvende bars — ideaal voor een drankje terwijl de kinderen zich uitleven in hun kajak of op hun surfplank vlak ernaast.

In Brazilië is het strand niet zomaar een decor. Het is een instituut.
Iedereen gaat naar het strand: alle leeftijden, alle sociale klassen, alle lichaamstypes. Het strand is dé plek waar het leven zich afspeelt, samen, in alle eenvoud. En daar zijn Brazilianen trots op.

En waar strand is, is ook de lichaamscultus.
Je ziet het overal: hier is het uiterlijk een serieuze zaak voor heel wat mensen. Brazilië is de vierde grootste markt ter wereld voor cosmetica en verzorgingsproducten — voor mannen én vrouwen — en plastische chirurgie is er zowat een religie.

Hier is de sfeer ontspannen, de stranden liggen op wandelafstand van elkaar, en — uitzonderlijk tijdens onze reis — ons hotel is écht prachtig. We hadden er gerust een hele week kunnen blijven, gewoon voor het plezier.
Maar helaas: het is Vincent die de planning maakt… dus het worden maar drie nachten.

Twee perfecte dagen, afgesloten met twee onvergetelijke diners bij een Noord-Italiaan die ons trakteerde op een absoluut goddelijke keuken.

Itacaré
De volgende ochtend vertrekken we vroeg (nu ja, alles is relatief… het was negen uur): we nemen een ferry terug naar het vasteland, en dan drie uur rijden… en daar zijn we dan, in Itacaré.

En Itacaré, dat is een klein mirakel. Stel je voor: een dorpskern die volledig autovrij is — een bijna surrealistische uitzondering in Brazilië, waar de auto doorgaans de plak zwaait. De dagen kabbelen voort tussen de zee en het dorp: er is lekker eten, het zwembad, en een traag tempo.

Maar er is iets dat meteen opvalt — of beter gezegd: dat meteen te horen is.
Itacaré is letterlijk overspoeld door Israëli’s.

Overal hoor je Hebreeuws: op de menukaarten, op straat, in de muziek. Israëlische vlaggen wapperen boven winkeletalages en de gesprekken die we op elke straathoek opvangen, katapulteren ons plots naar Tel Aviv.
Ze zijn jong, vaak in groep, met die typische mix van nonchalance, groepsgevoel en energie die je meteen herkent.
Ze drinken, roken, spelen gitaar, groeten elkaar alsof ze in een kibboets zitten. Het voelt een beetje onwerkelijk aan, zeker als je beseft dat je ze bijna nergens anders in Brazilië ziet.

Itacaré is eigenlijk een bijna verplichte halte op wat men de “wereldreis van na de legerdienst” noemt: een soort initiatiereis van een jaar die duizenden jonge Israëli’s maken na hun militaire dienst. Een bevrijdende tussenfase voor ze de volwassen wereld instappen, met vaste tussenstops: India, Nepal, Colombia, Argentinië… en uiteraard, Brazilië.

De wereld ontdekken na het leger? Topidee.
Maar je kan je toch afvragen of het nog zin heeft als je je hele reis doorbrengt met een hele groep landgenoten, op dezelfde plekken, in dezelfde bubbel.

Chapada Diamantina

We verlaten Itacaré vroeg in de ochtend: er wacht ons 8,5 uur rijden want we willen absoluut vóór zonsondergang – rond 18 uur – in Lençóis aankomen. Niet dat we niet willen rijden in het donker in Brazilië… maar het is niet meteen een pretje.

Eerst en vooral: het is pikdonker. En dan bedoel ik écht pikdonker. Geen lantaarns, geen verlichting, niks.
En de staat van de wegen? Dat is een verrassing op zich. Maar het ergste van al zijn de verkeersdrempels. Van die snelheidsremmers uit een ander universum. Stel je voor: je rijdt rustig aan 110 km/u op een snelweg… en plots – BAM – daar is hij: een gigantische verkeersdrempel, recht uit het niets.
Als je er niet aan 10 km/u over rijdt, kan je je bumper, je ophanging én je geduld vaarwel zwaaien.

Wees gerust: het is niet overal in Brazilië zo. Maar hoe noordelijker je gaat, hoe meer van die dingen opduiken. Het lijkt wel een natuurlijke selectie voor je schokdempers.

Na die lange en hobbelige rit komen we stipt om 18u aan in Lençóis, een charmant koloniaal dorpje dat de toegangspoort vormt tot het Nationaal Park Chapada Diamantina.
Hier blijven we vijf nachten – goed voor vier volle dagen avontuur en natuur.

Chapada Diamantina, letterlijk “het diamantenplateau”. Alleen al de naam doet je ogen glinsteren. En terecht: in de 19e eeuw werden hier daadwerkelijk diamanten ontdekt. Decennialang woelden gelukszoekers de rode aarde om, op zoek naar rijkdom. Zo ontstonden stadjes als Lençóis, midden in deze diamantenkoorts.

Maar nog voor de diamanten was er de geologie. Miljoenen jaren van erosie hebben hier een adembenemend landschap geboetseerd: diepe kloven, duizelingwekkende kliffen, mysterieuze grotten en watervallen in overvloed.

Natuurlijk wilden we alles zien. Te voet, met een jeep, per boot — elk hoekje van het park lijkt ontworpen om je met open mond achter te laten. En het werkt.

Zelfs ver weg van de zee blijft die typische Braziliaanse sfeer hangen. Die levenskunst, dat trage tempo, die warme menselijkheid. Ontspannen, gastvrij, tranquilo.

We hadden best nog wat langer willen blijven. Gewoon, om de tijd nog wat te voelen uitrekken.
Maar de reis gaat verder. De vierde regio wacht al op ons.

4. De staat Minas Gerais, 5 april – 14 april 2024

Minas Gerais (spreek uit: “Minas Jéraïsj”, met de juiste flair) is een staat net boven São Paulo en Rio de Janeiro. Samen vormen ze een gouden driehoek: de drie rijkste staten van Brazilië.

En eerlijk is eerlijk, dat zie je meteen. Weg is de schrijnende armoede van het noordoosten of de scherpe contrasten van Bahia. Hier zijn de wegen goed onderhouden, de steden netjes (nou ja… naar Braziliaanse normen dan toch — laten we niet overdrijven) — en het allerbeste nieuws: hier weten ze hoe ze lekkere kaas moeten maken.

We bevinden ons in een middelgebergte, ver van de Instagram-hotspots van Rio of de droomstranden in het zuiden, maar het is hier toch prachtig.

En dan die naam: Minas, dat had je misschien al geraden, betekent ‘mijnen’. En dat is hier geen vage herinnering. Ik ben met stomheid geslagen door het aantal vrachtwagens dat zich voortbeweegt, overvol geladen met erts. Brazilië is echt wereldkampioen grondstoffen:

🥇 Wereldwijd nummer 1 in ijzererts en niobium
🥈 Top 5 in bauxiet en mangaan
🥉 Top 10 in goud

Kortom: hier is de aarde letterlijk goud waard.

Maar goed, je komt niet naar Minas om mijnen te bezoeken. Je komt voor wat die mijnen in de 18e eeuw hebben mogelijk gemaakt: schitterende koloniale steden die zo uit een kostuumfilm lijken te komen. Welkom in Ouro Preto, Mariana, Tiradentes… en nog meer barokke parels, vol gouden kerken, kasseien waar je kuiten van protesteren, en prachtige herenhuizen.

Maar vóór we bezwijken voor de charme van die koloniale pareltjes, beginnen we met een artistieke UFO: Inhotim. Een van de grootste openluchtmusea voor moderne kunst ter wereld. 140 hectare botanische tuin, bezaaid met paviljoenen vol hedendaagse kunst. Mooi, inspirerend — en je stapt er wat af. Een echte voltreffer!

Na vier uur bochtige wegen verandert de sfeer volledig. Weg met de moderne kunst en het perfect gemaaide gras van Inhotim — welkom in het barokke juweel van het koloniale Brazilië: Ouro Preto.

Deze stad heette vroeger Vila Rica — letterlijk “de rijke stad” (subtiel, toch?). In de 18e eeuw was het de goudhoofdstad van het land, het zenuwcentrum van de mijnbouw en de koloniale rijkdom. Op een bepaald moment was het zelfs de meest bevolkte stad van Brazilië, groter dan Rio of Salvador. Niks minder dan dat.

Even een beetje geschiedenis… Met de ontdekking van goud aan het einde van de 17e eeuw begint de tweede fase van de Portugese kolonisatie: na het Braziliaanse hout en het suikerriet is het nu tijd voor het gouden tijdperk. En waar mijnen zijn, is arbeidskracht nodig. Tienduizenden slaven worden verplaatst van de plantages in het noordoosten naar de donkere mijngangen van Minas Gerais. Brazilië ontdekt niet alleen goud, maar ook het rauwe gezicht van extractief kapitalisme.

Toch zit de rijkdom niet alleen onder de grond: Ouro Preto groeit uit tot een intellectueel en artistiek centrum. Universiteiten, barokke kerken vol bladgoud (letterlijk), hobbelige steegjes die op een achtbaan lijken… alles ademt koloniale weelde — 18e-eeuwse stijl.

Om al dat mooie goud richting Lissabon te krijgen, gebruikte men vroeger de Caminho do Ouro, de “goudroute”, die via Tiradentes liep en vervolgens afdaalde naar Paraty — dat charmante koloniale havenstadje aan de kust waarover ik het al had in de vorige post — vanwaar het goud werd verscheept naar Portugal.

Onze tweede stop: Tiradentes.
Minder steil dan Ouro Preto (onze kuiten zijn daar nog steeds dankbaar voor), maar minstens zo betoverend. Een koloniaal juweeltje dat lijkt stil te staan in de tijd, met balkons vol bloemen, barokke kerken in wit en goud, en kinderkopjes die zo uit een postkaart lijken geplukt.
We blijven er twee dagen — genoeg tijd om heerlijk rond te slenteren… en ook om de eerste vieringen van de Semana Santa mee te maken, want Tiradentes is een van de belangrijkste plekken in Brazilië voor deze heilige week.

Pasen draait hier niet alleen om chocolade-eitjes. Semana Santa is na carnaval de belangrijkste feestperiode van het land. Minder uitbundig (hoewel…), maar doordrenkt van een indrukwekkende mix van religieuze en volkse devotie. Processies, gezangen, wierook, scènes uit de Passie — alles komt voorbij.

We sluiten onze trip door de regio af in Petrópolis, een charmant bergstadje op minder dan twee uur van Rio de Janeiro. Hier kwam de Braziliaanse keizerlijke familie in de 19e eeuw de vochtige hitte van de stad ontvluchten. Jawel, Brazilië is ooit een monarchie geweest…

De stad zelf? Best gezellig, een beetje alsof je in een Europese provinciestad belandt. Kasseistraatjes, een neogotische kathedraal, een Duitse bakkerij… en uiteraard het zomerpaleis van de keizers. Maar goed, eerlijk is eerlijk: kastelen en koninklijke residenties, die hebben we thuis ook in overvloed. Dus als je maar drie weken in Brazilië bent… sla deze dan misschien gewoon over.

Wij hebben al acht maanden geen voet meer op Europese bodem gezet, dus we vonden het best grappig om ineens in een stukje Wenen te belanden. En het verhaal achter dit plekje is het waard om even bij stil te staan — want eerlijk, het is behoorlijk smakelijk.

1807: De koning van Portugal vlucht in paniek uit Lissabon vanwege die vervelende Napoleon, en verhuist met zijn hele hofhouding naar Brazilië. Stel je even voor: 15.000 edellieden en bedienden die de Atlantische Oceaan oversteken om hun koffers uit te pakken in een kolonie.

1822: Brazilië roept zijn onafhankelijkheid uit… en besluit de zoon van de Portugese koning tot keizer te kronen. Nee, dat is geen grap. Tegen alle revolutionaire logica in wordt Brazilië onafhankelijk… door een Bourbon op de troon te zetten. Origineel, toch?

1889: Brazilië draait de monarchie de rug toe. Na 67 jaar op de troon wordt Dom Pedro II vriendelijk maar beslist bedankt door een stel strak in het uniform zittende militairen. Geen brandende vlaggen, geen vurige toespraken of guillotine: gewoon een rustig staatsgreepje.

Waarom? Om heel wat redenen. Pedro II hield meer van zijn boeken dan van politiek, had geen zoon om hem op te volgen (zijn dochter Isabel viel niet in de smaak bij de macho-generaals, en bovenal… ze had net de slavernij afgeschaft). En hoewel Brazilië als laatste land in het continent Amerika de slavernij afschafte — 26 jaar na de VS, 55 jaar na Frankrijk en 65 jaar na het VK — was dat voor de plantagehouders in het noorden nog altijd te vroeg. Ze wisten niet goed wat te doen zonder slaven, ze hadden geen plan B. Zielig, hé – maar medelijden verdienden ze echt wel niet.

Gooi daar een gefrustreerd leger en wat republikeinse ideeën bij, en boem: daar gaat de monarchie. Geruisloos. Pedro II vertrekt in ballingschap naar Europa met zijn kleine Louis Vuitton-koffertje, en zo wordt de Braziliaanse republiek geboren.

En wij? Na het bezoek aan het koninklijk paleis, stappen we binnen in de laatste woning van een van mijn favoriete schrijvers: Stefan Zweig. Een tijdloos moment, gedragen door mijn liefde voor literatuur en een gesprek met een Oostenrijkse vrijwilliger die in het museum werkt.

‘s Avonds trakteren we onszelf op een fondue — zowel bourguignonne als met kaas — een onverwachte knipoog naar het Oude Continent, terwijl onze gedachten al een beetje afdwalen naar de overkant van de Rio de la Plata.

Morgenvroeg verlaten we Brazilië voor tien dagen in Uruguay…
Maar geen paniek: we komen terug, meteen na ons Uruguayaans intermezzo!

Knuffels

Leave a comment

Search